Auteur van deze pagina: Mandy Elzinga



0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Een kind dat Zoeloe spreekt, kan op verschillende taalaspecten (fonologie, morfologie, syntaxis, pragmatiek) problemen hebben met het Nederlands als gevolg van de verschillen tussen deze talen. Deze problemen hoeven echter niet te duiden op de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis, daarvoor is aanvullend diagnostisch onderzoek in beide talen vereist. In paragraaf 2 wordt specifieke informatie over het Zoeloe gegeven, waarin de verschillen met het Nederlands nog verder uitgewerkt worden.

Fonologie
Sommige klinkers in het Zoeloe worden op een andere manier uitgesproken dan de Nederlandse klinkers. Op basis hiervan wordt verwacht dat er problemen kunnen ontstaan bij de juiste uitspraak van deze klinkers. Ook voor de medeklinkers geldt dat deze op een andere manier worden uitgesproken, mede door de verschillende klikgeluiden in het Zoeloe. Dit zou dan ook voor enige transferproblemen kunnen zorgen in de taalproductie van het Nederlands.

Morfologie
Het Nederlands heeft een vrij arme morfologie, terwijl het Zoeloe een taal is met een uniforme en rijke morfologie. Dit betekent o.a. dat in het Zoeloe het onderwerp van een zin kan worden weggelaten, omdat deze al in de vervoeging van het werkwoord besloten ligt. Als kinderen met een specifieke taalstoornis het Nederlands verwerven, hebben zij vaak problemen met de vervoeging van de werkwoorden. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat zij een noodzakelijk onderwerp in de zin weglaten. Wat betreft werkwoordsuitgangen zullen kinderen eerder een verkeerde uitgang gebruiken dan dat ze een uitgang weglaten. Daarnaast zullen kinderen die Zoeloe spreken en het Nederlands als tweede taal verwerven, waarschijnlijk moeite hebben met de zelfstandig naamwoorden. In het Nederlands hebben zelfstandige naamwoorden een grammaticaal geslacht, die de keuze van het bijbehorende lidwoord bepaalt. In het Zoeloe wordt een ander systeem gebruikt, waarin elk zelfstandig naamwoord tot een bepaalde klasse behoort en er geen onderscheid wordt gemaakt in geslacht. Op basis hiervan is het aannemelijk dat ook hier veel grammaticale fouten in zullen voorkomen.

Syntaxis
De zinsvolgorde in het Zoeloe komt grotendeels overeen met het Nederlands, waardoor verwacht wordt dat kinderen hier vrijwel geen fouten in zullen maken. Het enige verschil dat er is, is dat woorden die betrekking hebben op het zelfstandig naamwoord, zoals bijvoeglijke, bezittelijke en aanwijzende (voor)naamwoorden, zich achter het zelfstandige naamwoord bevinden terwijl dat in het Nederlands ervoor staat. Hierbij zouden Zoeloe-sprekende kinderen in het Nederlands korte tijd last van transferproblemen kunnen hebben.


Pragmatiek
Kinderen met specifieke taalstoornissen kunnen pragmatische problemen hebben. Doordat kinderen in het Zoeloe niet gewend zijn om hun gesprekspartner aan te kijken, is het voor hen waarschijnlijk moeilijker om de sociale context adequaat in te schatten en de bedoelingen van de ander goed te begrijpen. Hierdoor is de kans groot dat er misverstanden ontstaan in de communicatie.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Over het algemeen geldt dat de transparantie van een taalsysteem bepalend is voor hoe gemakkelijk een taal te leren is (MacWhinney, 2005). Het Zoeloe is een taal met een hoge fonologische transparantie in tegenstelling tot bijvoorbeeld het IJslands en het Duits. Dit betekent dat kinderen het taalsysteem van het Zoeloe relatief gemakkelijk zouden moeten verwerven. Wanneer dit niet het geval is en kinderen veel fouten maken in de morfologie en syntaxis, dan duidt dit mogelijk op de aanwezigheid van een specifieke taalstoornis.
Om deze stoornis te kunnen vaststellen, moet er zowel in het Zoeloe als in het Nederlands sprake zijn van een vertraagde en afwijkende taalontwikkeling. Onderstaande vragen zijn bedoeld voor de ouders van het kind en/of de tolk om meer inzicht te verkrijgen met betrekking tot de taalontwikkeling in beide talen. Tot op heden is echter nog weinig taalonderzoek gedaan naar het Zoeloe, meer onderzoek naar taalstoornissen is daarom noodzakelijk om de specifieke elementen van TOS in deze taal beter in kaart te kunnen brengen. Om deze reden zijn er enkel vragen geformuleerd wat betreft algemene TOS-elementen:

- Heeft het kind problemen met de productie van bepaalde klanken?
- Maakt het kind vaak vereenvoudigingen in de spraak?
- Spreekt het kind gedurende langere tijd onverstaanbaar?
- Laat het kind klanken of lettergrepen van woorden weg?
- Laat het kind vaak lidwoorden weg?
- Heeft het kind problemen met het correct vervoegen van werkwoorden in de zin?
- Laat het kind vaak hulpwerkwoorden weg in de voltooide tijd?
- Zijn de taaluitingen van het kind kort en weinig complex?
- Heeft het kind een beperkte woordenschat?
- Heeft het kind woordvindingsproblemen?
- Heeft het kind moeite met het uitdrukken van communicatieve functies?

Bij het beantwoorden van bovenstaande vragen kan gebruik worden gemaakt van dit schema, waarin de universele mijlpalen in de taalverwerving staan beschreven.

Onder punt 4 op deze pagina staan enkele voorbeelden van fouten die kinderen met een taalontwikkelingsstoornis maken in het Zoeloe. Met behulp van een tolk kan wellicht worden onderzocht of een kind vergelijkbare fouten maakt.

Top



1. Algemene informatie over het Zoeloe


Het Zoeloe (ook wel isiZulu of Zunda genoemd) is een taal van de Zoeloes met ongeveer 12 miljoen sprekers. De meerderheid van deze bevolkingsgroep leeft in Zuid-Afrika, voornamelijk in de provincie KwaZoeloe-Natal, deze bevindt zich in het oosten van het land (zie Figuur 1). Het Zoeloe behoort net als het Xhosa, Swazi en Ndbele tot de Ngunitalen, die weer een onderdeel zijn van de Bantoetalen. Deze talen vertonen veel overeenkomsten wat betreft de zinsbouw en grammatica, omdat deze onderling sterk verwant zijn. Na de Apartheid in het begin van de jaren ’90 werd het Zoeloe een van de elf officiële talen in Zuid-Afrika, deze taal wordt door 22,7% van de bevolking gesproken. In mindere mate wordt het Zoeloe ook gesproken in Zimbabwe, Lesotho, Malawi, Mozambique en Swaziland. De betekenis van de benaming van deze taal is: ‘hemel’ of ‘lucht’. Veel Zoeloes spreken zelf ook nog andere talen, zoals het Engels, Afrikaans of Portugees. Het Zoeloe kent vier verschillende dialecten: KwaZoeloe-Natal Zoeloe, Transvaal Zoeloe, Qwabe en Cele.

South_Africa_2011_Zulu_speakers_proportion_map.png
██ 0-20%
██ 20-40%
██ 40-60%
██ 60-80%
██ 80-100%
Figuur 1. Het percentage van de bevolking in Zuid-Afrika dat Zoeloe spreekt (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Zoeloe_(taal).).

Het Zoeloe maakt gebruik van het Romeinse of Latijnse alfabet. Dit is hetzelfde alfabet als in het Nederlands wordt gebruikt en bestaat uit 26 letters. Vóór de 19e eeuw was het Zoeloe uitsluitend een gesproken taal. Sommige letters in het Zoeloe hebben een andere uitspraak dan in het Nederlands. De letters C, Q en X geven de typische klikklanken van het Zoeloe weer. In Tabel 1 is het alfabet in het Zoeloe weergegeven met de daarin de uitspraak en eventuele opmerkingen bij de verschillende letters.

Tabel 1
Het Zoeloe alfabet.

Hoofdletter
Kleine letter
Uitspraak
Opmerkingen
1
A
a
a

2
B
b
b

3
C
c
klik
Dentale klik (als een zuigend geluid door je tanden).
4
D
d
d

5
E
e
e

6
F
f
f

7
G
g
g
Niet schrapend, maar als in het Franse ‘grand’.
8
H
h
h

9
I
i
i

10
J
j
dzj
Als in het Engelse ‘gender’.
11
K
k
k

12
L
l
l

13
M
m
m

14
N
n
n

15
O
o
o

16
P
p
p

17
Q
q
klik
Alveolaire klik (vergelijkbaar met het plopgeluid bij het openen van een fles champagne).
18
R
r
r

19
S
s
s

20
T
t
t

21
U
u
oe
Als in het Nederlandse ‘bloed’.
22
V
v
v

23
W
w
w

24
X
x
klik
Laterale klik (vergelijkbaar met het hoefgetrappel van een paard).
25
Y
y
j
Als in het Nederlandse ‘jaar’.
26
Z
z
z

Bron: http://www.isizulu.org/zoeloe-alfabet.

Top



2. Specifieke informatie over het Zoeloe


Fonologie
Syllaben en klinkers
De fonologie in het Zoeloe wordt gekenmerkt door het gebruik van een aantal simpele klinkers. De meeste lettergrepen eindigen op een klinker. Er wordt geen gebruik gemaakt van consonantclusters, behalve in de combinatie nasale-niet nasale consonant. De meeste syllaben hebben dan ook de volgende structuur: (N)CV.

Er zijn 7 klinkers, namelijk: /i/, /e/, /a/, /u/, /o/, /ɛ/ en /ɔ/ (zie Tabel 2). Deze kunnen elk kort of lang van duur zijn. De /e/ en /o/ worden uitgesproken als /e/ en /o/ indien de daarop volgende syllabe een /i/, /a/ of /u/ bevat of als de klinker aan het einde van het woord staat. In de overige gevallen worden deze klinkers uitgesproken als respectievelijk /ɛ/ en /ɔ/, waarbij de betekenis van het woord wel hetzelfde blijft.

Tabel 2
Klinkers in het Zoeloe.
droppedImage.jpg

Bron: http://www.languagesgulper.com/eng/Zulu.html.

Medeklinkers
Het Zoeloe heeft een complex systeem van ongeveer 50 medeklinkers met daarin klikletters, ejectieven en implosieven (zie Tabel 3). Net als veel andere talen in Zuid-Afrika is het gebruik van ‘klikletters’ kenmerkend voor het Zoeloe, dit zijn opvallende klikkende geluiden. De medeklinkers ‘C’, ‘Q’ en ‘X’ worden gebruikt voor het weergeven van een klik, die in diverse vormen voorkomen en waarbij de uitspraak van de klinker vervalt:
- C (dentale klik)
- Q (alveolaire klik)
- X (laterale klik)
In totaal zijn er ongeveer 15 verschillende klikgeluiden, waardoor het Zoeloe een moeilijk te leren taal is voor niet-moedertaalsprekers.

Tabel 3
Medeklinkers in het Zoeloe.
droppedImage_1.jpg
Bron: http://www.languagesgulper.com/eng/Zulu.html.

Tonen
Net als veel andere Afrikaanse talen is het Zoeloe een toontaal. Dit betekent dat veranderingen in de toonhoogte bij het uitspreken van een woord of lettergreep leiden tot een verschil in de betekenis ervan. Het Zoeloe heeft twee tonen: hoog en laag. Sommige woorden in het Zoeloe worden hetzelfde geschreven, maar hebben door een andere toon niet dezelfde betekenis. Bijvoorbeeld: de woorden voor priester en leraar worden beide geschreven als “umfundisi”, maar worden uitgesproken met een andere toon (“úmfúndisi” voor priester en “úmfundísi” voor leraar).

Morfologie
Zelfstandig naamwoorden
Het Zoeloe wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een klassensysteem voor de zelfstandig naamwoorden. Dit betekent dat elk zelfstandig naamwoord tot een bepaalde klasse behoort. Deze bestaat uit één of twee voorvoegsels en een stam. Het voorvoegsel direct voor de stam geeft aan tot welke klasse het zelfstandig naamwoord behoort. Alle woorden uit een klasse hebben dezelfde voorvoegsels. De verschillende klassen (voor zowel enkelvoud als meervoud) zijn globaal ingedeeld op de semantische kenmerken, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in geslacht. De andere woorden in een zin, zoals werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden, moeten overeenkomen met het zelfstandig naamwoord in persoon, geslacht, getal en naamval. Deze woorden hebben elk een eigen voorvoegsel, die ook overeenkomt met de klasse van het zelfstandig naamwoord. In Tabel 4 is het klassensysteem in het Zoeloe schematisch weergegeven.

Tabel 4
Klassensysteem zelfstandig naamwoorden in het Zoeloe.
Klasse
Voorvoegsel
Betekenis
Voorbeeld
1
um(u)-
person
umuntu (“person”), umzali (“parent”)
1a
u-
ubaba (“father”), umama (“mother”)
2
aba-, abe-
people
abantu (“people”)
2a
o-
obaba (“fathers”, omama (“mothers”)
3
um(u)-
nature, body part
umunwe (“finger”), umlenze (“leg”)
4
imi-, im-
nature, body parts
iminwe (“fingers”), imilenze (“legs”)
5
ili-, i-
fruit, body part, ethnicity/race (member), loanwords
ipentshisi (“peach”)
6
ama-, (ame-)
fruits, body parts, ethnicity/race (collective), loanwords
amapentshisi (“peaches”)
7
isi-, is-
object, body part, kind of person, custom/culture/language
isihambi (“traveller”)
8
izi-, iz-
objects, body parts, kinds of people
izandla (“hands”)
9
im-, in-, i-
animal
inkukhu (“chicken”)
10
izim-, izin-
animals, long/thin objects
izinja (“dogs”)
11
ulu-, u-
long/thin object
uthi (“stick”)
14
ubu, utsh-
abstract concept
ubuntu (“humanity”)
15
uku-, uk-
infinitive
ukuhamba (“to walk”)
Getal
Het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud wordt aangegeven door middel van het voorvoegsel volgens het bovenstaande klassensysteem. Bijvoorbeeld:
- Klasse 1-2: umfana (“boy”), abafana (“boys”).
- Klasse 3-4: umuthi (“tree”), imithi (“trees”).
- Klasse 5-6: ikhanda (“head”), amakhanda (“heads”).
- Klasse 7-8: isihlalo (“seat”), izihlalo (“seats”).
- Klasse 9-10: imfene (“baboon”), izimfene (“baboons”).
- Klasse 11-10: uphondo (“horn”), izimpondo (“horns”).

Bron: http://www.languagesgulper.com/eng/Zulu.html.

Werkwoorden
De werkwoorden worden als volgt vervoegd in de verschillende tijden:
Tegenwoordige tijd
-ya-
-sa-
Verleden tijd
-e
-ile
Toekomende tijd
-zo-
In het Zoeloe is '-ya-' vergelijkbaar met de Engelse -ing vorm, bijvoorbeeld: “siyadlala” (We are playing). '-Sa-' is vergelijkbaar met het Engelse woord ‘still’, bijvoorbeeld: “ngisafunda” (We are still learning).
Om aan te geven dat iets in de verleden tijd is gebeurd, verandert de uitgang van het werkwoord. Een eerste manier om dit te doen is door de ‘a’ aan het einde van het werkwoord te veranderen in ‘e’ (vergelijkbaar met het Engelse suffix ‘-ed’), bijvoorbeeld: “ngifunde” (I studied). De andere manier is om de ‘a’ te veranderen in ‘ile’ (vergelijkbaar met de Engelse woorden ‘was/were’). Een voorbeeld hiervan is: “sishadile” (We were married).
Wanneer iets in de toekomende tijd zal plaatsvinden, wordt '-zo-' toegevoegd aan het werkwoord, waarbij het werkwoord zelf niet verandert. Bijvoorbeeld: “udlala” (playing) wordt “uzodlala” (will play).

Syntaxis
Woordvolgorde
De normale woordvolgorde in het Zoeloe is: onderwerp - werkwoord - lijdend of meewerkend voorwerp (SVO). In het Nederlands wordt in de meeste zinnen ook gebruik gemaakt van deze volgorde, waarbij het werkwoord de tweede plaats in de zin inneemt. Woorden die betrekking hebben op het zelfstandig naamwoord, zoals bijvoeglijke, bezittelijke en aanwijzende (voor)naamwoorden, bevinden zich achter dit zelfstandige naamwoord. Het onderwerp van de zin geeft niet alleen het geslacht (mannelijk/vrouwelijk) en het getal (enkelvoud/meervoud) aan, maar komt ook overeen met de klasse waartoe het zelfstandig naamwoord behoort.

Pragmatiek
In de cultuur van de Zoeloes is het gebruikelijk dat een persoon met een hogere status een ander begroet door te zeggen: “Sabubona” (oftewel: “I see you”). De ander reageert vervolgens met: “Yebo, sawubona” (“Yes, I see you too”). Een belangrijk cultuurverschil met het Nederlands is dat de Zoeloes in de communicatie oogcontact vermijden, omdat het direct in de ogen kijken van een persoon met een hogere status (vaak een man, maar bijvoorbeeld ook een leerkracht in het algemeen) wordt beschouwd als een teken van gebrek aan respect. Respect hebben voor elkaar speelt dan ook een belangrijke rol in het leven van de Zoeloes. Kinderen leren al vanaf jonge leeftijd om respect te tonen en op een beleefde manier te praten tegen hun ouders en andere volwassenen.

Top



3. Verwervingsvolgorde in het Zoeloe


Voor het Zoeloe geldt dat er tot op heden nog weinig onderzoek is uitgevoerd naar de normale spraak- en taalverwerving bij kinderen. Een overzicht van de verwervingsvolgorde in deze taal is dan ook niet gevonden. Hieronder staan kort samengevat een aantal onderzoeken beschreven die wel zijn uitgevoerd. De onderstaande resultaten moeten echter met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, omdat deze vaak gebaseerd zijn op een kleine steekproef. Daarnaast hadden deze onderzoeken vaak meerdere methodologische tekortkomingen, wat de betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid van de bevindingen reduceert.

In de studie van Kunene (1999) werd onderzoek gedaan naar de taalverwerving van het Zoeloe bij kinderen in de peuter- en kleuterleeftijd. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat kliks en affricaten later worden verworven dan onder andere nasale en fricatieve medeklinkers. Deze onderzoeksbevindingen waren overeenkomstig met de resultaten uit het onderzoek van Naidoo (2003), die vond dat kliks pas op latere leeftijd accuraat geproduceerd werden dan andere consonanten. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat klanken die minder vaak voorkomen in een taal ook minder natuurlijk of complexer zijn en daarmee pas op latere leeftijd tot ontwikkeling komen (Vihman, 1993).

Zoals eerder op deze pagina aan bod kwam, behoort elk zelfstandig naamwoord in het Zoeloe tot een bepaalde klasse. Alle woorden uit een klasse hebben dezelfde voorvoegsels (V = klinker, C = medeklinker, VN = nasale klinker). De normale ontwikkeling van deze voorvoegsels is als volgt (Suzman, 1991):
- 2 jaar: ø, V
- 2;6 jaar: V(N), VCV
- 3 jaar: V, V(N), VCV

Top



4. Onderzoek naar specifieke taalstoornissen in het Zoeloe


Zoals eerder op deze pagina beschreven, is tot op heden relatief weinig onderzoek uitgevoerd naar het Zoeloe. Ook op het gebied van taalstoornissen is in de afgelopen decennia nog nauwelijks onderzoek verricht. Een belangrijke reden hiervoor kan zijn dat de meerderheid van de taalwetenschappers enkel Engels of Afrikaans spreekt; de meesten hebben onvoldoende beheersing van het Zoeloe doordat zij niet in dit specifieke gebied van Zuid-Afrika werkzaam zijn. Zij doen dan ook voornamelijk onderzoek naar andere Zuid-Afrikaanse talen, waardoor het Zoeloe onderbelicht blijft.

In de reeds bestaande literatuur is wel een onderzoek gevonden dat specifiek was gericht op een Zoeloe sprekende jongen van 2;7 jaar oud die werd opgevoed door zijn oma (Demuth & Suzman, 1997). Hij had een ernstige achterstand in de spraak- en taalontwikkeling, die niet kon worden verklaard door een verminderd gehoor, medische problematiek of onvoldoende taalaanbod. Om meer inzicht te krijgen in de taalproblematiek zijn de spontane taaluitingen van deze jongen vergeleken met die van een ander kind met een normale taalontwikkeling en vergelijkbare leeftijd. Uit de resultaten kwam naar voren dat de spraak van de jongen kwalitatief verschillend was op meerdere taalaspecten, waaronder de fonologie, morfologie en syntaxis.

Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele voorbeelden van uitingen die Zoeloe-sprekende kinderen met een TOS maken. De kinderen zijn 2;7 en 2 jaar oud.
20.png
21.png
Bron: Demuth & Suzman (1997).

Top



5. Slotopmerkingen en literatuurlijst


Op deze pagina is uitgebreide informatie te vinden over het Zoeloe. Doordat er vooralsnog weinig wetenschappelijke literatuur gepubliceerd is met betrekking tot deze taal, geeft deze pagina mogelijk geen compleet beeld van het Zoeloe. Desondanks biedt de beschreven informatie naar verwachting wel concrete handvatten voor logopedisten en klinisch linguïsten om in de praktijk te kunnen vaststellen of een kind een normale taalontwikkeling doormaakt of dat er mogelijk sprake is van een specifieke taalstoornis. Dit kan dan ook een waardevolle bijdrage leveren aan de uiteindelijke diagnosestelling bij deze groep kinderen.

Voor het schrijven van de pagina is gebruik gemaakt van onderstaande literatuur:
  • Demuth, K., & Suzman, S. (1997). Language Impairment in Zulu. In E. M. Hughes & A. Green (Eds.), Proceedings of the 21st Annual Boston University Conference of Language Development, 1, 124-135. Somerville, MA: Cascadilla Press.
  • Kunene, X. (1999). A developmental profile of speech (consonantal phonemes) development in Zulu speaking children between the ages of three to five years. Unpublished, University of Durban-Westville.
  • MacWhinney, B. (2005). A Unified Model of Language Acquisition. In J. F. Kroll & A. M. B. de Groot (Eds), Handbook of Bilingualism: Psycholinguistic Approaches (pp. 49-67). New York: Oxford University Press.
  • Naidoo, Y. (2003). A developmental profile of speech sound and syllable acquisition in Zulu speaking children. Unpublished, University of Pretoria.
  • Suzman, S. (1991). Language Acquisition in Zulu, PhD dissertation, University of the Witwatersrand.
  • Vihman, M. M. (1993). Variable Paths to Early Word Production. Journal of Phonetics, 21, 61-82.


Top